Filters

WEERGAVE NIVEAU/ONDERDEEL

Mens en natuur


Primair onderwijs

In het primair onderwijs zijn de curriculumitems uitgewerkt aan de hand van het vakleergebied Oriëntatie op jezelf en de wereld, met uitsplitsing naar inhoudslijnen en clusters.

 

Voortgezet onderwijs

In het voortgezet onderwijs wordt dit leergebied Mens en natuur genoemd, waar de volgende wettelijke vaknamen ondervallen:

  • biologie (vmbo) en biologie (havo/vwo)
  • natuur- en scheikunde 1 (vmbo) en natuurkunde (havo/vwo)
  • natuur- en scheikunde 2 (vmbo) en scheikunde (havo/vwo)
  • algemene natuurwetenschappen (havo/vwo)
  • natuur, leven en technologie (havo/vwo)
  • informatietechnologie (vmbo) en informatica (havo/vwo)

 

Het leergebied bevat kerndoelen en de wettelijke vaknamen bevatten eindtermen. Beide zijn uitgesplitst naar vakkernen, vaksubkernen en vakinhouden.

Overzicht curriculum

Primair onderwijs
Kerndoeldomein
Natuur en techniek
  • kerndoel 40

    De leerlingen leren in de eigen omgeving veel voorkomende planten en dieren onderscheiden en benoemen en leren hoe ze functioneren in hun leefomgeving.

  • kerndoel 41

    De leerlingen leren over de bouw van planten, dieren en mensen en over de vorm en functie van hun onderdelen.

  • kerndoel 42

    De leerlingen leren onderzoek doen aan materialen en natuurkundige verschijnselen, zoals licht, geluid, electriciteit, kracht, magnetisme en temperatuur.

  • kerndoel 43

    De leerlingen leren hoe je weer en klimaat kunt beschrijven met behulp van temperatuur, neerslag en wind.

  • kerndoel 44

    De leerlingen leren bij producten uit hun eigen omgeving relaties te leggen tussen de werking, de vorm en het materiaalgebruik.

  • kerndoel 45

    De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen, deze uit te voeren en te evalueren.

  • kerndoel 46

    De leerlingen leren dat de positie van de aarde ten opzichte van de zon leidt tot natuurverschijnselen, zoals seizoenen en dag-/nachtritme.

Voortgezet onderwijs
Vakleergebied

Mens en natuur

  • kerndoel 29

    De leerling leert kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in sleutelbegrippen uit het gebied van de levende en niet-levende natuur, en leert deze sleutelbegrippen te verbinden met situaties in het dagelijks leven.

  • kerndoel 30

    De leerling leert dat mensen, dieren en planten in wisselwerking staan met elkaar en hun omgeving (milieu), en dat technologische en natuurwetenschappelijke toepassingen de duurzame kwaliteit daarvan zowel positief als negatief kunnen beïnvloeden.

  • kerndoel 31

    De leerling leert o.a. door praktisch werk kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in processen uit de levende en niet-levende natuur en hun relatie met omgeving en milieu.

  • kerndoel 32

    De leerling leert te werken met theorieën en modellen door onderzoek te doen naar natuurkundige en scheikundige verschijnselen als elektriciteit, geluid, licht, beweging, energie en materie.

  • kerndoel 33

    De leerling leert door onderzoek kennis te verwerven over voor hem relevante technische producten en systemen, leert deze kennis naar waarde te schatten en op planmatige wijze een technisch product te ontwerpen en te maken.

  • kerndoel 34

    De leerling leert hoofdzaken te begrijpen van bouw en functie van het menselijk lichaam, verbanden te leggen met het bevorderen van lichamelijke en psychische gezondheid, en daarin een eigen verantwoordelijkheid te nemen

  • kerndoel 35

    De leerling leert over zorg en leert zorgen voor zichzelf, anderen en zijn omgeving, en hoe hij de veiligheid van zichzelf en anderen in verschillende leefsituaties (wonen, leren, werken, uitgaan, verkeer) positief kan beïnvloeden

  • kerndoel 28

    De leerling leert vragen over natuurwetenschappelijke, technologische en zorggerelateerde onderwerpen om te zetten in onderzoeksvragen, een dergelijk onderzoek over een natuurwetenschappelijk onderwerp uit te voeren en de uitkomsten daarvan te presenteren.

Examenprogramma

Biologie (vmbo) >

bb-0191
kb-0191
gl-0191

BI/K/1

  • eindterm 1
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang aangeven van biologische kennis en vaardigheden in de maatschappij.

    SE SE SE
BI/K/2

  • eindterm 2
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.

    SE SE SE
BI/K/3

  • eindterm 3
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot:

    CE CE CE

    − de ontwikkeling van het eigen leervermogen

    − het vermogen met biologische vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.

BI/K/4

  • eindterm 4
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE

    − kenmerkende eigenschappen van cellen noemen, de samenstellende delen daarvan noemen, en de meest voorkomende organisatieniveaus binnen organismen noemen

    − beschrijven dat een organisme als een geheel beschouwd kan worden waarbij voor instandhouding en gezondheid van het organisme processen in onderlinge samenhang plaatsvinden.

  • eindterm 5
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE CE

    − kenmerkende eigenschappen van cellen noemen, de samenstellende delen daarvan beschrijven, en de meest voorkomende organisatieniveaus binnen organismen noemen en beschrijven

    − toelichten dat een organisme als een geheel beschouwd kan worden waarbij voor instandhouding en gezondheid van het organisme processen in onderlinge samenhang plaatsvinden.

BI/K/5

  • eindterm 6
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de rol van schimmels en bacteriën in het milieu noemen en toelichten.

    SE
  • eindterm 7
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de rol van schimmels en bacteriën in het milieu en de biotechnologie noemen en toelichten.

    SE SE
BI/K/6

  • eindterm 8
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE

    − de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld

    − de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben.

  • eindterm 9
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE CE

    − de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld

    − de relaties noemen en toelichten die ze onderling en met hun omgeving hebben.

BI/K/7

  • eindterm 10
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan

    SE SE SE

    − toelichten dat de mens voor voedsel, water, zuurstof, grondstoffen, energie, voedselproductie en recreatie van ecosystemen afhankelijk is

    − beschrijven hoe de mens ecosystemen kan beïnvloeden

    − en toelichten waarom de mens er belang bij heeft een duurzame relatie tussen mens en milieu te bevorderen.

BI/K/8

  • eindterm 11
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    SE

    − delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen

    − de gevolgen van overbelasting noemen.

  • eindterm 12
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan

    SE SE

    − delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen

    − de gevolgen van overbelasting noemen en beschrijven.

BI/K/9

  • eindterm 13
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE CE CE

    − vorm, werking en functie van het verteringsstelsel, bloedvatenstelsel, ademhalingsstelsel en uitscheidingsstelsel beschrijven

    − hun onderling verband toelichten.

BI/K/10

  • eindterm 14
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan toelichten hoe (infectie)ziekten zich ontwikkelen, hoe ze zich verspreiden en hoe men zich daartegen beschermt.

    SE SE SE
BI/K/11

  • eindterm 15
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de rol en de werking van zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten.

    CE
  • eindterm 16
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE CE

    − de rol en de werking van het zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten

    − beschrijven welke relatie er is tussen gedrag en inwendige en uitwendige prikkels.

BI/K/12

  • eindterm 17
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen beschrijven, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.

    CE
  • eindterm 18
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen toelichten, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.

    CE CE
BI/K/13

  • eindterm 19
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan beschrijven hoe erfelijke eigenschappen van generatie op generatie worden doorgegeven en toelichten hoe die erfelijke eigenschappen in de tijd kunnen veranderen.

    SE CE
BI/V/1

  • eindterm 20
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de manier waarop het lichaam zich beschermt tegen antigenen door middel van antistoffen beschrijven en toelichten hoe deze bescherming kunstmatig kan worden verhoogd.

    CE
BI/V/2

  • eindterm 21
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan gedrag van mens en dier op een gestandaardiseerde wijze beschrijven en dat beschreven gedrag verklaren.

    CE
BI/V/3

  • eindterm 22
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.

    SE
BI/V/4

  • eindterm 23
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.

    CE
Examenprogramma

Biologie (havo/vwo) >

ha-1018

A

A1

  • eindterm 1
    HAVOVWO

    De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken.

    CE CE
A2

  • eindterm 2
    HAVOVWO

    De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied.

    CE CE
A3

  • eindterm 3
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces.

    CE CE
A4

  • eindterm 4
    HAVOVWO

    De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.

    CE CE
A5

  • eindterm 5
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.

    CE
A6

  • eindterm 6
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren.

    CE CE
A7

  • eindterm 7
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.

    CE
A8

  • eindterm 8
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen.

    CE CE
A9

  • eindterm 9
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.

    CE CE
A10

  • eindterm 10
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen.

    CE CE
A11

  • eindterm 11
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom.

    CE CE
A12

  • eindterm 12
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn.

    CE CE
A13

  • eindterm 13
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen.

    CE CE
A14

  • eindterm 14
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen.

    CE CE
A15

  • eindterm 15
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in beroepscontexten en in leefwereldcontexten.

    CE
A16

  • eindterm 16
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast.

    CE CE
B

B1

  • eindterm 17
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze bouwstoffen van de cel worden gevormd.

    SE
B2

  • eindterm 18
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt.

    CE CE
B3

  • eindterm 19
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en benoemen op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt.

    CE
B4

  • eindterm 20
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze eukaryoten zichzelf reguleren.

    CE
B5

  • eindterm 21
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze eukaryoten zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en welke problemen daarbij kunnen ontstaan.

    CE
B6

  • eindterm 22
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd.

    SE SE
B7

  • eindterm 23
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen.

    CE SE
B8

  • eindterm 24
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden.

    CE
C

C1

  • eindterm 25
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten genexpressie en celdifferentiatie ten minste in contexten op het gebied van energie en gezondheid benoemen op welke wijze de ontwikkeling van cellen verloopt.

    CE
C2

  • eindterm 26
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van het concept levenscyclus ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van organismen verloopt en verklaren op welke wijze verstoringen van de ontwikkeling ontstaan, kunnen worden voorkomen en worden aangepakt.

    SE
C3

  • eindterm 27
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld benoemen op welke wijze ecosystemen zich kunnen ontwikkelen en beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelforganisatie van ecosystemen beïnvloedt.

    SE
D

D1

  • eindterm 28
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt.

    SE
D2

  • eindterm 29
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat en benoemen wat de functie daarvan is.

    SE
D3

  • eindterm 30
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd.

     

    SE SE
D4

  • eindterm 31
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties in ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd.

    CE CE
E

E1

  • eindterm 32
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van het concept DNA-replicatie ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en gezondheid benoemen op welke wijze erfelijk materiaal wordt gereproduceerd.

    SE SE
E2

  • eindterm 33
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van het concept celcyclus ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze reproductie van cellen verloopt.

    SE
E3

  • eindterm 34
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van het concept voortplanting ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de reproductie van eukaryoten en prokaryoten verloopt.

    SE
E4

  • eindterm 35
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van het concept erfelijke eigenschap ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en voedselproductie verklaren op welke wijze eigenschappen worden overgedragen bij eukaryoten en prokaryoten.

    CE
F

F1

  • eindterm 36
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA, mutatie, recombinatie en variatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze variatie in populaties tot stand komt.

    CE
F2

  • eindterm 37
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten populatie, variatie, selectie en soortvorming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en wereldbeeld verklaren op welke wijze nieuwe soorten kunnen ontstaan.

    CE CE
F3

  • eindterm 38
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van het concept biodiversiteit ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid benoemen op welke wijze de diversiteit van populaties en ecosystemen binnen het systeem Aarde varieert.

    SE
vw-1018

A

A1

  • eindterm 1
    HAVOVWO

    De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken.

    CE CE
A2

  • eindterm 2
    HAVOVWO

    De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied.

    CE CE
A3

  • eindterm 3
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces.

    CE CE
A4

  • eindterm 4
    HAVOVWO

    De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.

    CE CE
A5

  • eindterm 5
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.

    CE
A6

  • eindterm 6
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren.

    CE CE
A7

  • eindterm 7
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.

    CE
A8

  • eindterm 8
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen.

    CE CE
A9

  • eindterm 9
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.

    CE CE
A10

  • eindterm 10
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen.

    CE CE
A11

  • eindterm 11
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom.

    CE CE
A12

  • eindterm 12
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn.

    CE CE
A13

  • eindterm 13
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen.

    CE CE
A14

  • eindterm 14
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen.

    CE CE
A15

  • eindterm 15
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast.

    CE CE
A16

  • eindterm 16
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten.

    CE
B

B1

  • eindterm 17
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze zelfregulatie op moleculair niveau plaatsvindt.

    CE
B2

  • eindterm 18
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt.

    CE CE
B3

  • eindterm 19
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt.

    CE
B4

  • eindterm 20
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze zelfregulatie bij eukaryoten verloopt en beargumenteren op welke wijze daarin stoornissen kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt.

    CE
B5

  • eindterm 21
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze organismen zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en beargumenteren welke problemen daarbij kunnen optreden en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt.

    CE
B6

  • eindterm 22
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd.

    SE SE
B7

  • eindterm 23
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen.

    CE SE
B8

  • eindterm 24
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden.

    CE
C

C1

  • eindterm 25
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten genexpressie en celdifferentiatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van cellen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen in de ontwikkeling kunnen ontstaan en worden aangepakt.

    CE
C2

  • eindterm 26
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van het concept levenscyclus ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van organismen verloopt, verklaren op welke wijze verstoringen van de ontwikkeling ontstaan en beargumenteren op welke wijze deze kunnen worden voorkomen of worden aangepakt.

    SE
C3

  • eindterm C3
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld benoemen op welke wijze ecosystemen zich kunnen ontwikkelen en beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelforganisatie van ecosystemen en het systeem Aarde beïnvloedt.

    CE
D

D1

  • eindterm 28
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt.

    CE
D2

  • eindterm 29
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten celcommunicatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid de wijze waarop cellulaire interactie verloopt benoemen.

    CE
D3

  • eindterm 30
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat, benoemen wat de functie van het gedrag is en benoemen op welke wijze het zich ontwikkelt.

    SE
D4

  • eindterm 31
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd.

     

    SE SE
D5

  • eindterm 32
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties in ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd.

    CE CE
E

E1

  • eindterm 33
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van het concept DNA-replicatie ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en gezondheid benoemen op welke wijze erfelijk materiaal wordt gereproduceerd.

    SE SE
E2

  • eindterm 34
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van het concept celcyclus ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze reproductie van cellen verloopt en beargumenteren op welke wijze daarbij optredende verstoringen kunnen worden voorkomen of aangepakt.

    SE
E3

  • eindterm 35
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten voortplanting en erfelijke eigenschap ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze eigenschappen worden overgedragen en benoemen op welke wijze de reproductie van eukaryoten en prokaryoten verloopt.

    CE
F

F1

  • eindterm 36
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA, mutatie, genetische variatie, recombinatie en populatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze variatie in populaties tot stand komt.

    CE
F2

  • eindterm 37
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van de concepten populatie, variatie, selectie en soortvorming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en wereldbeeld verklaren op welke wijze nieuwe soorten kunnen ontstaan.

    CE CE
F3

  • eindterm 38
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van het concept biodiversiteit ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld veranderingen in diversiteit van populaties en ecosystemen binnen het systeem Aarde verklaren en beargumenteren op welke wijze deze veranderingen beïnvloed worden.

    SE
F4

  • eindterm 39
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van het concept ontstaan van het leven ten minste in contexten op het gebied van wereldbeeld benoemen met behulp van welke theorie het voorkomen van leven op Aarde wordt verklaard.

    SE
bb-0173
kb-0173
gl-0173

NASK1/K/1

  • eindterm 1
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan zich oriënteren op het belang van natuurkunde en natuurkundige technieken in de eigen beroepsopleiding, in de eigen toekomst en in de maatschappij.

    SE SE SE
NASK1/K/2

  • eindterm 2
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.

    SE SE SE
NASK1/K/3

  • eindterm 3
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE

    − basisrekenvaardigheden toepassen

    − natuurkundige grootheden hanteren en met behulp van formules en woordformules daarmee berekeningen uitvoeren en redeneringen opzetten

    − natuurkundige apparatuur gebruiken, daarmee experimenten uitvoeren en de resultaten interpreteren

    − de computer gebruiken om met meetprogramma’s experimenten uit te voeren en te interpreteren, om met applets en simulaties onderzoek te doen en om natuurkundige informatie te selecteren en te verwerken 

    − een onderzoek doen en een ontwerpproces uitvoeren en evalueren, daarbij ook rekening houdend met de veiligheid. 

  • eindterm 4
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE CE

    − rekenvaardigheden toepassen

    − natuurkundige grootheden hanteren en met behulp van formules daarmee berekeningen uitvoeren en redeneringen opzetten

    − natuurkundige apparatuur gebruiken, daarmee experimenten uitvoeren en de resultaten interpreteren

    − de computer gebruiken om met meetprogramma’s experimenten uit te voeren en te interpreteren, om met applets en simulaties onderzoek te doen en om natuurkundige informatie te selecteren en te verwerken 

    − een onderzoek doen en een ontwerpproces uitvoeren en evalueren, daarbij ook rekening houdend met de veiligheid. 

NASK1/K/4

  • eindterm 5
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE

    − soorten materialen en hun stofeigenschappen herkennen en toepassen

    − gevaren van stoffen voor de mens en het milieu herkennen en vermijden door veilig te werken en verantwoord met afvalstoffen om te gaan

    − chemische processen herkennen.

  • eindterm 6
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE CE

    − soorten materialen en hun stofeigenschappen herkennen en toepassen

    − gevaren van stoffen en effecten van chemische en natuurkundige processen voor de mens en het milieu herkennen, en maatregelen nemen om ongewenste effecten hiervan te vermijden door veilig te werken en verantwoord met afvalstoffen om te gaan

    − zinken-zweven-drijven toepassen met behulp van dichtheid.

NASK1/K/5

  • eindterm 7
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE

    − elektrische schakelingen ontwerpen en analyseren en hierover berekeningen uitvoeren

    − beveiligingen voor elektriciteit verklaren en toepassen en keuzes tussen verschillende apparaten beargumenteren.

  • eindterm 8
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE CE

    − elektrische schakelingen ontwerpen en analyseren en hierover berekeningen uitvoeren

    − beveiligingen voor elektriciteit verklaren en toepassen en keuzes tussen verschillende apparaten beargumenteren

    − de werking van de dynamo en de transformator beschrijven met begrippen uit het magnetisme.

NASK1/K/6

  • eindterm 9
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    SE

    − het proces van verbranden beschrijven en de verspreiding en isolatie van warmte verklaren en toepassen

    − de manieren van opwekking van elektrische energie en de gevolgen ervan beschrijven.

  • eindterm 10
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE CE

    − het proces van verbranden beschrijven en de verspreiding en isolatie van warmte verklaren en toepassen

    − de manieren van opwekking van elektrische energie en de gevolgen ervan beschrijven

    − het omzetten van energie van de ene vorm in de andere vorm beschrijven en hierover berekeningen uitvoeren.

NASK1/K/7

  • eindterm 11
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    SE SE SE

    − rechtlijnige lichtstralen, verschillende soorten lichtbundels, schaduwvorming, kleurvorming en verschillende soorten straling toepassen

    − verschillende soorten lenzen herkennen en de werking van de vlakke spiegel en de bolle lens toepassen

    − beeldvorming bij het menselijk oog en oogafwijkingen toepassen.

NASK1/K/8

  • eindterm 12
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan

    CE

    de eigenschappen van geluid toepassen en de gevolgen van geluidshinder en de beperking van geluidshinder toelichten.

  • eindterm 13
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE CE

    − de eigenschappen van geluid toepassen en de gevolgen van geluidshinder en de beperking van geluidshinder toelichten

    − geluid vastleggen met oscilloscoop of computer en daaruit de frequentie bepalen

    − de werking van een luidspreker uitleggen.

NASK1/K/9

  • eindterm 14
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE

    − de werking van verschillende soorten krachten en de druk van een voorwerp op de ondergrond beschrijven en in evenwichtsituaties kwalitatief de hefboomwet toepassen

    − bij een bewegend voorwerp diagrammen interpreteren, krachten samenstellen en de gemiddelde snelheid berekenen

    − veiligheidsmaatregelen in het verkeer uitleggen en toepassen.

  • eindterm 15
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE CE

    − de werking van verschillende soorten krachten en de druk van een voorwerp op de ondergrond berekenen en in evenwichtsituaties kwalitatief de hefboomwet toepassen

    − bij een bewegend voorwerp diagrammen interpreteren, krachten samenstellen en de gemiddelde snelheid berekenen

    − veiligheidsmaatregelen in het verkeer uitleggen en toepassen en verschijnselen van traagheid verklaren.

NASK1/K/10

  • eindterm 16
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    SE

    − de bouw van stoffen en materialen beschrijven in termen van moleculen en atomen

    − het gedrag van atomen en moleculen in de verschillende fasen uitleggen.

  • eindterm 17
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    SE SE

    − de bouw van stoffen en materialen beschrijven in termen van moleculen en atomen

    − het gedrag van atomen en moleculen in de verschillende fasen uitleggen

    − de bouw van een atoom beschrijven.

NASK1/K/11

  • eindterm 18
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    SE SE

    − bronnen van ioniserende straling noemen

    − radioactief verval en toepassingen ervan beschrijven

    − veiligheidsmaatregelen tegen ongewenste effecten van straling en radioactieve stoffen beschrijven.

NASK1/K/12

  • eindterm 19
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    SE SE

    − het meten van temperatuur en luchtdruk toepassen

    − het ontstaan van wolken, neerslag en bliksem beschrijven

    − maatschappelijke aspecten van weersverschijnselen toelichten.

NASK1/V/1

  • eindterm 20
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE

    − berekeningen uitvoeren en redeneringen opzetten in situaties van verkeer en veiligheid

    − uit bronnen over bewegingen of botsingen gegevens selecteren en verwerken.

NASK1/V/2

  • eindterm 21
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE

    − in constructies krachten onderscheiden, ontbinden, samenstellen en berekenen

    − de plaats van het massamiddelpunt bepalen en berekeningen met de hefboomwet uitvoeren.

NASK1/V/3

  • eindterm 22
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.

    SE
NASK1/V/4

  • eindterm 23
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.

    CE
ha-1023

A

A1

  • eindterm 1
    HAVOVWO

    De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken.

    CE CE
A2

  • eindterm 2
    HAVOVWO

    De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied.

    CE CE
A3

  • eindterm 3
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces.

    CE CE
A4

  • eindterm 4
    HAVOVWO

    De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.

    CE CE
A5

  • eindterm 5
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.

    CE
A6

  • eindterm 6
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren.

    CE CE
A7

  • eindterm 7
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.

    CE
A8

  • eindterm 8
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen.

    CE CE
A9

  • eindterm 9
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.

    CE CE
A10

  • eindterm 10
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurkundige en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast.

    CE CE
A11

  • eindterm 11
    HAVOVWO

    De kandidaat kan op een verantwoorde wijze omgaan met voor de natuurkunde relevante materialen, instrumenten, apparaten en ICT-toepassingen.

    CE CE
A12

  • eindterm 12
    HAVOVWO

    De kandidaat kan een aantal voor de natuurkunde relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden correct en geroutineerd toepassen bij voor de natuurkunde specifieke probleemsituaties.

    CE CE
A13

  • eindterm 13
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de specifieke vaktaal en vakterminologie interpreteren en produceren, waaronder formuletaal, conventies en notaties.

    CE CE
A14

  • eindterm 14
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de computer gebruiken bij modelleren en visualiseren van verschijnselen en processen, en voor het verwerken van gegevens.

    CE CE
A15

  • eindterm 15
    HAVOVWO

    De kandidaat kan fysische grootheden kwantificeren en mathematische uitdrukkingen in verband brengen met relaties tussen fysische begrippen.

    CE CE
B

B1

  • eindterm 16
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten eigenschappen van trillingen en golven gebruiken bij het analyseren en verklaren van onder andere informatieoverdracht.

    CE CE
B2

  • eindterm 17
    HAVOVWO

    De kandidaat kan eigenschappen van ioniserende straling en de effecten van deze straling op mens en milieu beschrijven. Ook kan de kandidaat medische beeldvormingstechnieken beschrijven en analyseren aan de hand van fysische principes en de diagnostische functie van deze beeldvormingstechnieken voor de gezondheid toelichten.

    CE CE
B3

  • eindterm 18
    HAVOVWO

    De kandidaat kan aan de hand van toepassingen van geometrische optica en golfoptica eigenschappen van licht beschrijven en analyseren.

C

C1

  • eindterm 19
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten de relatie tussen kracht en bewegingsveranderingen analyseren en verklaren met behulp van de wetten van Newton.

    CE
C2

  • eindterm 20
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten de begrippen energiebehoud, rendement, arbeid en warmte gebruiken om energieomzettingen te beschrijven en te analyseren.

    CE
D

D1

  • eindterm 21
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten fysische eigenschappen van stoffen en materialen beschrijven en verklaren met behulp van atomaire en moleculaire modellen.

    CE
D2

  • eindterm 22
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in de context van de ontwikkeling van functionele materialen fysische begrippen gebruiken en de mogelijke toepassingen van deze materialen toelichten en verklaren.

    SE
E

E1

  • eindterm 23
    HAVOVWO

    De kandidaat kan het ontstaan en de ontwikkeling van structuren in het heelal beschrijven en bewegingen in het zonnestelsel analyseren en verklaren aan de hand van fysische principes.

    CE
E2

  • eindterm 24
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in de context van geofysische systemen fysische verschijnselen en processen beschrijven, analyseren en verklaren.

    SE
F

  • eindterm 25
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in de context van het menselijk lichaam fysische processen beschrijven, analyseren en verklaren en hun functie voor gezondheid en veiligheid toelichten.

G

G1

  • eindterm 26
    HAVOVWO

    De kandidaat kan opwekking, transport en toepassingen van elektriciteit beschrijven en analyseren aan de hand van fysische begrippen.

    CE
G2

  • eindterm 27
    HAVOVWO

    De kandidaat kan meet-, stuur- en regelsystemen construeren en de functie en werking van de componenten beschrijven.

H

  • eindterm 28
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in voorbeelden van technologische ontwikkeling die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen natuurkundige principes en wetmatigheden herkennen, benoemen en toepassen.

    CE
I

I1

  • eindterm 29
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen onderzoek doen door middel van experimenten en de resultaten analyseren en interpreteren.

    SE SE
I2

  • eindterm 30
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen onderzoek doen door middel van modelstudies en de modeluitkomsten analyseren en interpreteren.

    SE SE
I3

  • eindterm 31
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen op basis van een gesteld probleem een ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren.

    SE SE
vw-1023

A

A1

  • eindterm 1
    HAVOVWO

    De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken.

    CE CE
A2

  • eindterm 2
    HAVOVWO

    De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied.

    CE CE
A3

  • eindterm 3
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces.

    CE CE
A4

  • eindterm 4
    HAVOVWO

    De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.

    CE CE
A5

  • eindterm 5
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruik makend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.

    CE
A6

  • eindterm 6
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren.

    CE CE
A7

  • eindterm 7
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.

    CE
A8

  • eindterm 8
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen.

    CE CE
A9

  • eindterm 9
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.

    CE CE
A10

  • eindterm 10
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurkundige en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast.

    CE CE
A11

  • eindterm 11
    HAVOVWO

    De kandidaat kan op een verantwoorde wijze omgaan met voor de natuurkunde relevante materialen, instrumenten, apparaten en ICT-toepassingen.

    CE CE
A12

  • eindterm 12
    HAVOVWO

    De kandidaat kan een aantal voor de natuurkunde relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden correct en geroutineerd toepassen bij voor de natuurkunde specifieke probleemsituaties.

    CE CE
A13

  • eindterm 13
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de specifieke vaktaal en vakterminologie interpreteren en produceren, waaronder formuletaal, conventies en notaties.

    CE CE
A14

  • eindterm 14
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de computer gebruiken bij modelleren en visualiseren van verschijnselen en processen, en voor het verwerken van gegevens.

    CE CE
A15

  • eindterm 15
    HAVOVWO

    De kandidaat kan fysische grootheden kwantificeren en mathematische uitdrukkingen in verband brengen met relaties tussen fysische begrippen.

    CE CE
B

B1

  • eindterm 16
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten eigenschappen van trillingen en golven gebruiken bij het analyseren en verklaren van onder andere informatieoverdracht.

    CE CE
B2

  • eindterm 17
    HAVOVWO

    De kandidaat kan eigenschappen van ioniserende straling en de effecten van deze straling op mens en milieu beschrijven. Ook kan de kandidaat medische beeldvormingstechnieken beschrijven en analyseren aan de hand van fysische principes en de diagnostische functie van deze beeldvormingstechnieken voor de gezondheid toelichten.

    CE CE
C

C1

  • eindterm 18
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten de relatie tussen kracht en bewegingsveranderingen kwalitatief en kwantitatief analyseren en verklaren met behulp van de wetten van Newton.

    CE
C2

  • eindterm 19
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten de begrippen energiebehoud, rendement, arbeid en warmte gebruiken om energieomzettingen te beschrijven en te analyseren.

    CE
C3

  • eindterm 20
    HAVOVWO

    De kandidaat kan ten minste in de context van het heelal bewegingen analyseren en verklaren aan de hand van de gravitatiewisselwerking.

    CE
D

D1

  • eindterm 21
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten elektrische schakelingen analyseren met behulp van de wetten van Kirchhoff. Daarbij kan de kandidaat energieomzettingen analyseren.

    CE
D2

  • eindterm 22
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten elektromagnetische verschijnselen beschrijven, analyseren en verklaren met behulp van elektrische en magnetische velden.

    CE
E

E1

  • eindterm 23
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten fysische eigenschappen van stoffen en materialen beschrijven en kan deze eigenschappen verklaren en analyseren aan de hand van deeltjesmodellen.

    SE
E2

  • eindterm 24
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in astrofysische en andere contexten de wisselwerking tussen straling en materie beschrijven en verklaren aan de hand van de begrippen atoomspectrum, absorptie, emissie en stralingsenergie.

    CE
E3

  • eindterm 25
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten behoudswetten en de equivalentie van massa en energie gebruiken in het beschrijven en analyseren van deeltjes- en kernprocessen.

F

F1

  • eindterm 26
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten de golf-deeltjedualiteit en de onbepaaldheidsrelatie van Heisenberg toepassen, en de quantisatie van energieniveaus in enkele voorbeelden verklaren aan de hand van een eenvoudig quantumfysisch model.

    CE
F2

  • eindterm 27
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in gedachte-experimenten en toepassingen de verschijnselen tijdrek en lengtekrimp verklaren aan de hand van de begrippen lichtsnelheid, gelijktijdigheid en referentiestelsel.

G

G1

  • eindterm 28
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in de context van levende systemen fysische verschijnselen en processen beschrijven, analyseren en verklaren.

G2

  • eindterm 29
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in de context van geofysische systemen fysische verschijnselen en processen beschrijven, analyseren en verklaren.

H

  • eindterm 30
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in voorbeelden die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen fundamentele natuurkundige principes en wetmatigheden herkennen, benoemen en toepassen. Ook kan de kandidaat een model hanteren en de grenzen van de toepasbaarheid en betrouwbaarheid van een bepaald model voor een fysisch verschijnsel beoordelen.

    CE
I

I1

  • eindterm 31
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen onderzoek doen door middel van experimenten en de resultaten analyseren en interpreteren.

    SE SE
I2

  • eindterm 32
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen onderzoek doen door middel van modelstudies en de modeluitkomsten analyseren en interpreteren.

    SE SE
I3

  • eindterm 33
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen op basis van een gesteld probleem een ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren.

    SE SE
gl-0174

NASK2/K/1

  • eindterm 1
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang en de rol aangeven van natuur- en scheikunde in de maatschappij.

    SE
NASK2/K/2

  • eindterm 2
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.

    SE
NASK2/K/3

  • eindterm 3
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat beheerst strategische vaardigheden die bijdragen tot:

    CE

    − de ontwikkeling van het eigen leervermogen

    − het vermogen met vaktaal en vakmethodieken te communiceren en onderzoek te doen

    − het toepassen van rekenvaardigheden in natuur- en scheikunde.

NASK2/K/4

  • eindterm 4
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan van een aantal (afval)stoffen de gevaren noemen, en veiligheidsmaatregelen noemen ter voorkoming van persoonlijke schade en milieuschade.

    SE
  • eindterm 5
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan verschillende methoden voor de productie en distributie van drinkwater beschrijven.

    SE
NASK2/K/5

  • eindterm 6
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan een aantal verbrandingsverschijnselen beschrijven, verbrandingsvoorwaarden noemen, en toelichten dat blussen of voorkomen van brand berust op de beïnvloeding van deze voorwaarden.

    CE
  • eindterm 7
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de gevolgen van overvloedig energieverbruik noemen voor gezondheid en milieu.

    CE
  • eindterm 8
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de bewerking van aardolie in raffinaderijen en het gebruik van aardolie als grondstof voor chemische producten beschrijven.

    CE
NASK2/K/6

  • eindterm 9
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan beschrijven hoe veilig en verantwoord moet worden omgegaan met stoffen en straling.

    SE
NASK2/K/7

  • eindterm 10
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan van leidingwater en van in de natuur voorkomende watersoorten de samenstelling, functie en toepassing beschrijven.

    CE
  • eindterm 11
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE

    − van een aantal zuren en basen de naam en formule geven

    − van een aantal zure en basische oplossingen de formules geven van de deeltjes die daarin voorkomen

    − de eigenschappen en toepassingen van zure en basische oplossingen noemen.

  • eindterm 12
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de eigenschappen en toepassingen noemen van een aantal indicatoren en deze toepassen in pH-onderzoek.

    CE
NASK2/K/8

  • eindterm 13
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan een aantal was-, reinigings- en oplosmiddelen en cosmetische middelen noemen, en de werking en/of toepassing beschrijven van een aantal van deze middelen.

    SE
NASK2/K/9

  • eindterm 14
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan eigenschappen en toepassingen van metalen noemen, enkele bereidingsprocessen van metalen beschrijven, en het verschil tussen edele en andere metalen noemen.

    SE
  • eindterm 15
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de vorming van polymeren beschrijven en enkele voordelen van toepassingen van polymeren noemen.

    SE
NASK2/K/10

  • eindterm 16
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan eigenschappen noemen waaraan stoffen herkend kunnen worden en die kennis toepassen in practicumsituaties.

    CE
  • eindterm 17
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan onderzoeken of een stof een zuivere stof is of een mengsel, een aantal zuivere stoffen en soorten mengsels noemen, en de hoofdbestanddelen van een aantal mengsels noemen.

    CE
  • eindterm 18
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan:

    CE

    − een aantal processen uit het dagelijks leven herkennen als een chemische reactie

    − van een aantal (soorten) reacties toepassingen noemen, de vergelijkingen opstellen en beschrijvingen geven

    − berekeningen uitvoeren aan reacties en beschrijven hoe bepaalde factoren de reactiesnelheid beïnvloeden.

NASK2/K/11

  • eindterm 19
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de bouw van stoffen beschrijven, en reacties beschrijven met gebruikmaking van de begrippen moleculen, atomen en ionen.

    CE
  • eindterm 20
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de namen en symbolen van een aantal elementen geven en beschrijven hoe de atoomsoorten zijn gerangschikt in het periodiek systeem.

    CE
  • eindterm 21
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan van een aantal moleculaire stoffen en zouten de naam geven als de formule is gegeven en omgekeerd.

    CE
NASK2/V/1

  • eindterm 22
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan rapporteren naar aanleiding van een onderzoek naar een productieproces, door middel van een verslag en/of presentatie.

    CE
  • eindterm 23
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan in het onderzoek scheikundige begrippen, symbolen en formules kwalitatief en kwantitatief toepassen in relatie tot een of meer productieprocessen, met name aangaande gebruikte hoeveelheden.

    CE
  • eindterm 24
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan in het onderzoek de leervaardigheden tonen die genoemd worden in NASK2/K/3.

    CE
NASK2/V/2

  • eindterm 25