Filters

WEERGAVE NIVEAU/ONDERDEEL

Mens en maatschappij


Primair onderwijs

In het primair onderwijs zijn de curriculumitems uitgewerkt aan de hand van het vakleergebied Oriëntatie op jezelf en de wereld, met uitsplitsing naar inhoudslijnen en clusters.

 

Voortgezet onderwijs

In het voortgezet onderwijs wordt dit leergebied Mens en maatschappij genoemd, waar de volgende wettelijke vaknamen ondervallen:

  • aardrijkskunde (vmbo) en aardrijkskunde (havo/vwo)
  • geschiedenis en staatsinrichting (vmbo) en geschiedenis (havo/vwo)
  • economie (vmbo) en economie (havo/vwo)
  • bedrijfseconomie (havo/vwo)
  • management en organisatie (havo/vwo)
  • maatschappijleer (vmbo) en maatschappijleer (havo/vwo)
  • maatschappijleer II (vmbo) / maatschappijkunde (vmbo) en maatschappijwetenschappen (havo/vwo)
  • godsdienst (havo/vwo)
  • levensbeschouwelijk vormingsonderwijs (havo/vwo)
  • filosofie (havo/vwo)
  • maatschappelijke stage (vmbo) en maatschappelijke stage (havo/vwo)

 

Het leergebied bevat kerndoelen en de wettelijke vaknamen bevatten eindtermen. Beide zijn uitgesplitst naar vakkernen, vaksubkernen en vakinhouden.

Overzicht curriculum

Primair onderwijs
Kerndoeldomein
Mens en samenleving
  • kerndoel 34

    De leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.

  • kerndoel 35

    De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument.

  • kerndoel 36

    De leerlingen leren hoofdzaken van de Nederlandse en Europese staatsinrichting en de rol van de burger.

  • kerndoel 37

    De leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor algemeen aanvaarde waarden en normen.

  • kerndoel 38

    De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen, en ze leren respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.

  • kerndoel 39

    De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu.

Kerndoeldomein
Ruimte
  • kerndoel 47

    De leerlingen leren de ruimtelijke inrichting van de eigen omgeving te vergelijken met die in omgevingen elders, in binnen- en buitenland, vanuit de perspectieven landschap, wonen, werken, bestuur, verkeer, recreatie, welvaart, cultuur en levensbeschouwing. In ieder geval wordt daarbij aandacht besteed aan twee lidstaten van de Europese Unie en twee landen die in 2004 lid worden/ werden, de Verenigde Staten en een land in Azië, Afrika en Zuid-Amerika.

  • kerndoel 48

  • kerndoel 49

    De leerlingen leren over de mondiale ruimtelijke spreiding van bevolkingsconcentraties en godsdiensten, van klimaten, energiebronnen en van natuurlandschappen zoals vulkanen, woestijnen, tropische regenwouden, hooggebergten en rivieren.

  • kerndoel 50

    De leerlingen leren omgaan met kaart en atlas, beheersen de basistopografie van Nederland, Europa en de rest van de wereld en ontwikkelen een eigentijds geografisch wereldbeeld.

Kerndoeldomein
Tijd
  • kerndoel 51

    De leerlingen leren gebruik te maken van eenvoudige historische bronnen en ze leren aanduidingen van tijd en tijdsindeling te hanteren.

  • kerndoel 52

    De leerlingen leren over kenmerkende aspecten van de volgende tijdvakken: jagers en boeren; Grieken en Romeinen; monniken en ridders; steden en staten; ontdekkers en hervormers; regenten en vorsten; pruiken en revoluties; burgers en stoommachines; wereldoorlogen en holocaust; televisie en computer. De vensters van de canon van Nederland dienen als uitgangspunt ter illustratie van de tijdvakken.

  • kerndoel 53

    De leerlingen leren over de belangrijke historische personen en gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis en kunnen die voorbeeldmatig verbinden met de wereldgeschiedenis.

Voortgezet onderwijs
  • kerndoel 36

    De leerling leert betekenisvolle vragen te stellen over maatschappelijke kwesties en verschijnselen, daarover een beargumenteerd standpunt in te nemen en te verdedigen, en daarbij respectvol met kritiek om te gaan.

  • kerndoel 37

    De leerling leert een kader van tien tijdvakken te gebruiken om gebeurtenissen, ontwikkelingen en personen in hun tijd te plaatsen. De leerling leert hierbij over belangrijke historische personen en gebeurtenissen en over kenmerkende aspecten van de volgende tijdvakken: tijd van jagers en boeren (prehistorie tot 50 v. Chr.), tijd van Grieken en Romeinen (3000 v. Chr. – 500 na Chr.), tijd van monniken en ridders (500 – 1000), tijd van steden en staten (1000 – 1500), tijd van ontdekkers en hervormers (1500 – 1600), tijd van regenten en vorsten (1600 – 1700), tijd van pruiken en revoluties (1700 – 1800), tijd van burgers en stoommachines (1800 – 1900), tijd van wereldoorlogen (1900 – 1950), tijd van televisie en computer (1950 – heden).De leerling leert daarbij in elk geval de relatie te leggen tussen de gebeurtenissen en ontwikkelingen in de 20e eeuw (waaronder de Wereldoorlogen en de Holocaust), en hedendaagse ontwikkelingen. De vensters van de canon van Nederland dienen als uitgangspunt ter illustratie van de tijdvakken.

  • kerndoel 38

    De leerling leert een eigentijds beeld van de eigen omgeving, Nederland, Europa en de wereld te gebruiken om verschijnselen en ontwikkelingen in hun eigen omgeving te plaatsen.

  • kerndoel 39

    De leerling leert een eenvoudig onderzoek uit te voeren naar een actueel maatschappelijk verschijnsel en de uitkomsten daarvan te presenteren.

  • kerndoel 40

    De leerling leert historische bronnen te gebruiken om zich een beeld van een tijdvak te vormen of antwoorden te vinden op vragen, en hij leert daarbij ook de eigen cultuurhistorische omgeving te betrekken.

  • kerndoel 41

    De leerling leert de atlas als informatiebron te gebruiken en kaarten te lezen en te analyseren om zich te oriënteren, zich een beeld van een gebied te vormen of antwoorden op vragen te vinden.

  • kerndoel 42

    De leerling leert in eigen ervaringen en in de eigen omgeving effecten te herkennen van keuzes op het gebied van werk en zorg, wonen en recreëren, consumeren en budgetteren, verkeer en milieu.

  • kerndoel 43

    De leerling leert over overeenkomsten, verschillen en veranderingen in cultuur en levensbeschouwing in Nederland, leert eigen en andermans leefwijze daarmee in verband te brengen, en leert de betekenis voor de samenleving te zien van respect voor elkaars opvattingen en leefwijzen, en leert respectvol om te gaan met de seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.

  • kerndoel 44

    De leerling leert op hoofdlijnen hoe het Nederlandse politieke bestel als democratie functioneert en leert zien hoe mensen op verschillende manieren bij politieke processen betrokken zijn.

  • kerndoel 45

    De leerling leert de betekenis van Europese samenwerking en de Europese Unie te begrijpen voor zichzelf, Nederland en de wereld.

  • kerndoel 46

    De leerling leert over de verdeling van welvaart en armoede over de wereld, hij leert de betekenis daarvan te zien voor de bevolking en het milieu en relaties te leggen met het (eigen) leven in Nederland.

  • kerndoel 47

    De leerling leert actuele spanningen, conflicten en oorlogen in de wereld te plaatsen tegen hun achtergrond, en leert daarbij de doorwerking ervan op individuen en samenleving (nationaal, Europees en internationaal), de grote onderlinge afhankelijkheid in de wereld, het belang van mensenrechten en de betekenis van internationale samenwerking te zien.

bb-0131
kb-0131
gl-0131

AK/K/1

  • eindterm 1
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van aardrijkskunde in de maatschappij.

    SE SE SE
AK/K/2

  • eindterm 2
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.

    SE SE SE
AK/K/3

  • eindterm 3
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan een aantal vakvaardigheden toepassen die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen. Bij het bestuderen van gebieden, aardrijkskundige verschijnselen en vraagstukken kan de kandidaat in dat verband:

    CE CE CE

    – verschillende typen aardrijkskundige vragen herkennen en formuleren;

    – aardrijkskundige werkwijzen toepassen;

    – gebruik maken van verschillende soorten kaarten en kaartvaardigheden, luchtfoto’s en satellietbeelden

    – informatie ordenen, analyseren en daarover conclusies trekken;

    – eenvoudig aardrijkskundig onderzoek van beperkte omvang in de eigen omgeving uitvoeren over thematieken die aansluiten bij de inhouden van de exameneenheden K/4 tot en met K/9;

    – een standpunt innemen en beargumenteren.

AK/K/4

  • eindterm 4
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan het weer en klimaat in de eigen regio beschrijven en verklaren.

    SE SE SE
  • eindterm 5
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan Weer en klimaat van Nederland beschrijven.

    CE
  • eindterm
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan Weer en klimaat, klimaatverandering en klimaatbeleid van Nederland en een contrasterende regio elders in Europa beschrijven en verklaren en de situatie in beide gebieden vergelijken.

    CE CE
  • eindterm 6
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan Weer en klimaat in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren. 

    CE
  • eindterm
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan Weer en klimaat, klimaatverandering en klimaatbeleid in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren. 

    CE CE
AK/K/5

  • eindterm 7
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan het gebruik van energie in de eigen regio beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer gebruik van energie en de effecten ervan beschrijven.

    SE SE SE
  • eindterm 8
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan het gebruik van energie en de gevolgen ervan voor Nederland beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer energiegebruik en de effecten ervan beschrijven.

    SE
  • eindterm
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan het gebruik van energie en de gevolgen ervan voor Nederland en een contrasterende regio elders in Europa beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer energiegebruik en de effecten ervan beschrijven en de situatie in beide gebieden vergelijken.

    SE SE
  • eindterm 9
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan het gebruik van energie en de gevolgen ervan in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer gebruik van energie en de effecten ervan beschrijven.

    SE SE SE
AK/K/6

  • eindterm 10
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan het gebruik van water in de eigen regio beschrijven en verklaren en maatregelen voor duurzamer gebruik van water beschrijven.

    SE SE SE
  • eindterm 11
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de herkomst, het voorkomen, de kwaliteit en het gebruik van water in Nederland beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer gebruik van water en de effecten ervan beschrijven.

    CE CE CE
  • eindterm 12
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de herkomst, het voorkomen, de kwaliteit en het gebruik van water in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer gebruik van water en de effecten ervan beschrijven.

    CE
  • eindterm
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de herkomst, het voorkomen, de kwaliteit en het gebruik van water in een buiten-Europese macroregio en een contrasterende macroregio elders in de wereld beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer gebruik van water en de effecten ervan beschrijven en de situatie in beide gebieden vergelijken.

    CE CE
AK/K/7

  • eindterm 13
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan verschillen tussen meer en minder welvarende wijken en voorstellen voor verbetering van de woon- en leefomstandigheden in de eigen regio beschrijven.

    SE SE SE
  • eindterm 14
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan regionale verschillen in welvaart in Nederland beschrijven en verklaren.

    SE SE SE
  • eindterm 15
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan regionale verschillen in welvaart in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren.

    SE
  • eindterm
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan regionale verschillen in welvaart in een buiten-Europese macroregio en een contrasterende macroregio elders in de wereld beschrijven en verklaren en de situatie in beide gebieden vergelijken.

    SE SE
AK/K/8

  • eindterm 16
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de bevolkingsontwikkeling en het ruimtegebruik in de eigen regio beschrijven en verklaren.

    SE SE SE
  • eindterm 17
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de bevolkingsontwikkeling en het ruimtegebruik in Nederland beschrijven en verklaren.

    CE
  • eindterm
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de bevolkingsontwikkeling en het ruimtegebruik in Nederland en een contrasterende regio elders in Europa beschrijven en verklaren en de situatie in beide gebieden vergelijken.

    CE CE
  • eindterm 18
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de bevolkingsontwikkeling en het ruimtegebruik in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren.

    CE CE CE
AK/K/9

  • eindterm 19
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan verschillende soorten grenzen in de eigen regio beschrijven en verklaren en verbanden leggen met identiteit.

    SE SE SE
  • eindterm 20
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan verschillen in regionale identiteit en de manier waarmee men daarmee omgaat in Nederland en een contrasterende regio elders in Europa, beschrijven en verklaren en de situatie in beide gebieden vergelijken

     

    Het cursieve deel van eindterm 20 geldt alleen voor KB en GL/TL.

    SE SE SE
  • eindterm 21
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan territoriale conflicten in een buitenEuropese macroregio en verklaren en verbanden leggen met grondstoffen en culturele verschillen.

    SE SE SE
AK/V/1

  • eindterm 22
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan het voorkomen van extreme weersomstandigheden in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren en maatregelen om de gevolgen hiervan te beperken beschrijven.

    CE
AK/V/2

  • eindterm 23
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de verhouding tussen de verschillende gebruikte bronnen van energie in een buiten-Europese macroregio beschrijven en de voor- en nadelen van die energiebronnen beschrijven.

    SE
AK/V/3

  • eindterm 24
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de waterhuishouding in een buitenEuropese macroregio beschrijven en maatregelen ter verbetering beschrijven.

    CE
AK/V/4

  • eindterm 25
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de vicieuze cirkel tussen armoede, honger en gezondheid in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren en maatregelen ter verbetering van de situatie beschrijven.

    SE
AK/V/5

  • eindterm 26
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de ruimtelijke ontwikkelingen van megasteden in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren en maatregelen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit beschrijven.

    CE
AK/V/6

  • eindterm 27
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan verschillende regionale tegenstellingen in een buiten-Europese macroregio beschrijven en maatregelen ter verbetering van de situatie beschrijven.

    SE
AK/V/7

  • eindterm 28
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.

    SE
AK/V/8

  • eindterm 29
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.

    SE
ha-0131

A

A1

  • eindterm 1
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de geografische benadering adequaat hanteren:

    CE CE

    – geografische informatie selecteren, verwerken en weergeven;

    – geografische vragen herkennen en zelf formuleren;

    – de geografische werkwijzen toepassen bij het formuleren en beantwoorden van geografische vragen.

A2

  • eindterm 2
    HAVOVWO

    De kandidaat kan een geografisch onderzoek opzetten, uitvoeren, presenteren en evalueren:

    SE SE

    – op basis van een geografische onderzoeksvraag en een gestructureerd plan van aanpak;

    – met gebruikmaking van de geografische werkwijzen en primaire data;

    – zo mogelijk aansluitend op onderdelen van het examenprogramma, met name de domeinen B, C en E.

B

B1

  • eindterm 3
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de situatie in een nader door de school te kiezen gebied waar één of meer rijke landen en één of meer arme landen aan elkaar grenzen, beschrijven en analyseren. Het betreft:

    SE

    – economische, demografische en sociaal-culturele gebiedskenmerken en de relaties daartussen;

    – de (grensoverschrijdende) relaties tussen beide soorten landen en de gunstige en ongunstige effecten daarvan.

B2

  • eindterm 4
    HAVOVWO

    De kandidaat kan ten aanzien van samenhangen en verschillen in de wereld:

    CE

    – mondiale spreidings- en relatiepatronen van economische, demografische en sociaal-culturele verschijnselen beschrijven en in hoofdlijnen verklaren;

    – het proces van mondialisering beschrijven, herkennen en in hoofdlijnen verklaren.

B3

  • eindterm 5
    HAVOVWO

    De kandidaat kan aan de hand van een nader door de school te kiezen voorbeeld aangeven en beoordelen hoe mondialisering uitwerkt in een lokale context. Hij betrekt hierbij:

    SE

    – sociaal- en fysisch-geografische aspecten;

    – actoren in de lokale context.

C

C1

  • eindterm 6
    HAVOVWO

    De kandidaat kan voor een nader door de school te kiezen fysischgeografische regio:

    SE

    – spreidingspatronen van natuurlijke en landschappelijke verschijnselen beschrijven;

    – relaties leggen tussen natuurlijke processen en landschappelijke verschijnselen.

C2

  • eindterm 7
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met betrekking tot samenhangen en verschillen op aarde:

    CE

    – natuurlijke verschijnselen aan het aardoppervlak en in de atmosfeer beschrijven, herkennen en verklaren, rekening houdend met verschillende tijden ruimteschalen;

    – de kenmerken van de landschapszones op aarde en de veranderingen hierin beschrijven, analyseren en aan elkaar relateren.

C3

  • eindterm 8
    HAVOVWO

    De kandidaat kan aan de hand van een nader door de school te kiezen voorbeeld aangeven en beoordelen hoe mondiale natuurruimtelijke processen uitwerken in een lokale context. Hij betrekt hierbij:

    SE

    – fysisch- en sociaal-geografische aspecten;

    – actoren in de lokale context.

D

D1

  • eindterm 9
    HAVOVWO

    De kandidaat kan gebiedskenmerken van een nader aan te wijzen ontwikkelingsland beschrijven en analyseren. Het betreft:

    CE

    – sociaal-geografische en fysisch-geografische kenmerken van het betreffende ontwikkelingsland;

    – de sociaal-economische positie van het betreffende ontwikkelingsland in de macroregio én in de wereld.

D2

  • eindterm 10
    HAVOVWO

    De kandidaat kan actuele vraagstukken in het in subdomein D1 bedoelde ontwikkelingsland beschrijven en analyseren. Het betreft:

    SE

    – vraagstukken van landdegradatie en milieuverontreiniging;

    – conflicten in het betreffende ontwikkelingsland die verband houden met de etnische en culturele diversiteit in het land.

E

E1

  • eindterm 11
    HAVOVWO

    De kandidaat kan zich een beargumenteerde mening vormen over:

    CE CE

    – actuele vraagstukken van overstromingen en wateroverlast in Nederland;

    – actuele ruimtelijke en sociaal-economische vraagstukken van stedelijke gebieden in Nederland.

    Hij betrekt bij beide soorten vraagstukken aspecten van duurzame ontwikkeling en plannen voor de ruimtelijke inrichting van Nederland.

E2

  • eindterm 12
    HAVOVWO

    De kandidaat kan lokale en regionale ruimtelijke vraagstukken beschrijven en analyseren en zich daarover een beargumenteerde mening vormen.

    SE SE
vw-0131

A

A1

  • eindterm 1
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de geografische benadering adequaat hanteren:

    CE CE

    – geografische informatie selecteren, verwerken en weergeven;

    – geografische vragen herkennen en zelf formuleren;

    – de geografische werkwijzen toepassen bij het formuleren en beantwoorden van geografische vragen.

A2

  • eindterm 2
    HAVOVWO

    De kandidaat kan een geografisch onderzoek opzetten, uitvoeren, presenteren en evalueren:

    SE SE

    – op basis van een geografische onderzoeksvraag en een gestructureerd plan van aanpak;

    – met gebruikmaking van de geografische werkwijzen en primaire data;

    – zo mogelijk aansluitend op onderdelen van het examenprogramma, met name de domeinen B, C en E.

B

B1

  • eindterm 3
    HAVOVWO

    De kandidaat kan ten aanzien van samenhang en verscheidenheid in de wereld:

    CE

    – de begrippen ‘mondialisering’ en ‘tijdruimtecompressie’ in onderling verband en vanuit een geografisch perspectief analyseren;

    – mondiale spreidingspatronen van economische, culturele, demografische, sociale en politieke verschijnselen beschrijven, in hoofdlijnen verklaren en aan elkaar relateren;

    – grootstedelijke gebieden in een nader aan te wijzen postindustrieel land analyseren in het licht van processen van mondialisering.

B2

  • eindterm 4
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met betrekking tot een nader door de school te kiezen verdelingsvraagstuk vanuit het perspectief van het subdomein ‘Samenhang en verscheidenheid in de wereld’ (B1):

    SE

    – het vraagstuk beschrijven en analyseren als een maatschappelijk verdelingsvraagstuk;

    – actuele discussies over het vraagstuk kritisch beoordelen en relaties leggen met relevante natuurlijke factoren;

    – beleid beoordelen dat is gericht op het oplossen van het vraagstuk op macroregionale schaal.

C

C1

  • eindterm 5
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met betrekking tot de aarde als natuurlijk systeem:

    CE

    – de aarde als een uniek natuurlijk systeem beschrijven en deze kennis toepassen bij het analyseren van veranderingen aan het aardoppervlak op verschillende ruimte- en tijdschalen;

    – de kenmerken van landschapszones op aarde en de veranderingen hierin beschrijven, analyseren en aan elkaar relateren;

    – de natuurlijke en landschappelijke kenmerken van een nader aan te wijzen fysisch-geografische macroregio in onderlinge samenhang en in relatie tot de samenlevingen in de betreffende macroregio analyseren.

C2

  • eindterm 6
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met betrekking tot een nader door de school te kiezen mondiaal milieuvraagstuk, vanuit het perspectief van subdomein ‘De aarde als natuurlijk systeem’ (C1):

    SE

    – het vraagstuk beschrijven en analyseren als natuurlijk vraagstuk;

    – actuele discussies over het vraagstuk kritisch beoordelen, daarbij onderscheid maken tussen oorzaken en gevolgen en relaties leggen met relevante maatschappelijke factoren;

    – beleid beoordelen dat is gericht op het oplossen van het vraagstuk op macroregionale schaal.

D

D1

  • eindterm 7
    HAVOVWO

    De kandidaat kan ten aanzien van een nader aan te wijzen macroregio:

    CE

    – de afbakening van de betreffende macroregio analyseren, gebruikmakend van combinaties van relevante kenmerken;

    – een geografische vergelijking maken tussen de betreffende macroregio en een andere ontwikkelingsregio in de wereld op grond van relevante kenmerken;

    – de ontwikkelingsprocessen in de betreffende macroregio in hoofdlijnen aangeven en verklaren met gebruikmaking van economische, politieke, sociaal-culturele, fysisch-geografische, historische, interne en externe factoren.

D2

  • eindterm 8
    HAVOVWO

    De kandidaat kan actuele vraagstukken in de in subdomein D1 bedoelde macroregio vanuit een geografisch perspectief beschrijven, analyseren en verklaren. Het betreft:

    SE

    – milieuvraagstukken samenhangend met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en natuurlijke gevaren samenhangend met natuurrampen;

    – kenmerken van de hedendaagse ontwikkeling in de steden en op het platteland van de betreffende macroregio, samenhangend met het proces van mondialisering;

    – conflicten in de betreffende macroregio, voor zover ze verband houden met de etnische en culturele diversiteit in de regio.

E

E1

  • eindterm 9
    HAVOVWO

    De kandidaat kan zich een beargumenteerde mening vormen over:

    CE CE

    – actuele vraagstukken van overstromingen en wateroverlast in Nederland;

    – actuele ruimtelijke en sociaal-economische vraagstukken van stedelijke gebieden in Nederland.

    Hij betrekt bij beide soorten vraagstukken aspecten van duurzame ontwikkeling en plannen voor de ruimtelijke inrichting van Nederland.

E2

  • eindterm 10
    HAVOVWO

    De kandidaat kan lokale en regionale ruimtelijke vraagstukken beschrijven en analyseren en zich daarover een beargumenteerde mening vormen.

    SE SE
bb-0125
kb-0125
gl-0125

GS/K/1

  • eindterm 1
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van geschiedenis en staatsinrichting in de maatschappij.

    SE SE SE
GS/K/2

  • eindterm 2
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.

    SE SE SE
GS/K/3

  • eindterm 3
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot:

    CE CE CE

    – de ontwikkeling van het eigen leervermogen

    – het vermogen om met voor geschiedenis en staatsinrichting geëigende vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.

GS/K/4

  • eindterm 4
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en benoemen op welke wijze de koloniale relatie tussen Indonesië en Nederland zich in de loop der tijd ontwikkeld heeft en bijgedragen heeft aan de dekolonisatie/onafhankelijkheid van Indonesië.

    SE
  • eindterm 5
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en beschrijven op welke wijze de koloniale relatie tussen Indonesië en Nederland zich in de loop der tijd ontwikkeld heeft en bijgedragen heeft aan de dekolonisatie/onafhankelijkheid van Indonesië.

    SE SE
GS/K/5

  • eindterm 6
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en benoemen hoe de Nederlandse rechtsstaat/staatsinrichting zich vanaf 1848 tot nu ontwikkeld heeft en deze ontwikkelingen in verband brengen met belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen in de Nederlandse geschiedenis vanaf 1848.

    CE
  • eindterm 7
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en beschrijven hoe de Nederlandse rechtsstaat/staatsinrichting zich vanaf 1848 tot nu ontwikkeld heeft en deze ontwikkelingen in verband brengen met belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen in de Nederlandse geschiedenis vanaf 1848.

    CE CE
GS/K/6

  • eindterm 8
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en benoemen hoe het proces van industrialisatie de Nederlandse samenleving ingrijpend veranderd heeft vanaf de tweede helft van de 19e eeuw.

    SE
  • eindterm 9
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en beschrijven hoe het proces van industrialisatie de Nederlandse samenleving ingrijpend veranderd heeft vanaf de tweede helft van de 19e eeuw.

    SE SE
GS/K/7

  • eindterm 10
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en benoemen welke ontwikkelingen zich op het terrein van de sociale zekerheid vanaf de tweede helft van de 19e eeuw hebben voorgedaan die geleid hebben tot de huidige, herziene verzorgingsstaat.

    SE
  • eindterm 11
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en beschrijven welke ontwikkelingen zich op het terrein van de sociale zekerheid vanaf de tweede helft van de 19e eeuw hebben voorgedaan die geleid hebben tot de huidige, herziene verzorgingsstaat.

    SE SE
GS/K/8

  • eindterm 12
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en benoemen welke cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen zich na de Tweede Wereldoorlog hebben voorgedaan en welke gevolgen deze ontwikkelingen gehad hebben voor de Nederlandse samenleving.

    SE
  • eindterm 13
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en beschrijven welke cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen zich na de Tweede Wereldoorlog hebben voorgedaan en verklaren welke gevolgen deze ontwikkelingen gehad hebben voor de Nederlandse samenleving.

    SE SE
GS/K/9

  • eindterm 14
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan het ontstaan, verloop en einde van de Koude Oorlog herkennen, en benoemen welke oorzaken en gevolgen deze periode voor de wereldpolitiek in het algemeen en voor Europa in het bijzonder heeft gehad.

    SE
  • eindterm 15
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan het ontstaan, verloop en einde van de Koude Oorlog herkennen en beschrijven, en aangeven welke oorzaken en gevolgen deze periode voor de wereldpolitiek in het algemeen en voor Europa in het bijzonder heeft gehad.

    SE SE
GS/K/10

  • eindterm 16
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en benoemen welke belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen zich in de Nederlandse en (West-)Europese geschiedenis vanaf 1900 hebben voorgedaan.

    CE
  • eindterm 17
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en beschrijven welke belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen zich in de Nederlandse en (West-)Europese geschiedenis vanaf 1900 hebben voorgedaan.

    CE CE
GS/K/11

  • eindterm 18
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan aspecten van het conflict tussen Israël en de Arabische wereld herkennen en beschrijven.

    SE
  • eindterm 19
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan aspecten van het conflict tussen Israël en de Arabische wereld herkennen, beschrijven en verklaren.

    SE SE
GS/V/1

  • eindterm 20
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en beschrijven hoe het proces van dekolonisatie en de weg naar onafhankelijkheid van Indonesië tussen 1945 en 1949 verliep en daarbij ingaan op de moeizame relatie tussen Nederland en Indonesië na de onafhankelijkheid van Indonesië.

    SE
GS/V/2

  • eindterm 21
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en beschrijven op welke wijze de Europese samenwerking zich na 1945 ontwikkeld heeft en welke invloed de Europese Unie heeft op (de identiteit van) de Nederlandse samenleving.

    SE
GS/V/3

  • eindterm 22
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en beschrijven op welke manier de mens in heden en verleden het milieu heeft beïnvloed en welke oplossingen er bedacht zijn en worden voor ontstane milieuproblemen.

    SE
GS/V/4

  • eindterm 23
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en beschrijven op welke wijze de gezondheidszorg zich in Nederland vanaf de 19e eeuw ontwikkeld heeft en ingaan op moreel-ethische gevolgen daarvan.

    SE
GS/V/5

  • eindterm 24
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en beschrijven welke zuilen er in Nederland na de Tweede Wereldoorlog waren, welke gevolgen de verzuiling voor de Nederlandse samenleving had en verklaren op welke wijze het proces van ontzuiling de samenleving heeft veranderd.

    SE
GS/V/6

  • eindterm 25
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan herkennen en beschrijven hoe de Verenigde Staten de Nederlandse samenleving na de Tweede Wereldoorlog hebben beïnvloed en ingaan op verschillen in opvatting tussen Nederlandse politieke stromingen over de rol van de Verenigde Staten in de internationale politiek.

    SE
GS/V/7

  • eindterm 26
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.

    SE
GS/V/8

  • eindterm 27
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.

    CE
GS/V/9

  • eindterm 28
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de volgende thema’s herkennen, beschrijven, verklaren en plaatsen in het kader van het Historisch Overzicht vanaf 1900: Het ontstaan en de gevolgen van

    CE

    – het communisme in de Sovjetunie (1917-1941);

    – Indonesië als voorbeeld van dekolonisatie ( 1942-1949);

ha-1021

A

  • eindterm 1
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    CE CE
    • gebeurtenissen uit zijn eigen leven alsmede verschijnselen, gebeurtenissen en personen uit de geschiedenis met behulp van een tijdbalk of een andere vorm van chronologische schematisering ordenen en daarbij de volgende aanduidingen van tijd en tijdsindeling gebruiken: jaren, eeuwen, tijdvakken, perioden en jaartellingen;
    • met gebruik van voorbeelden uit de perioden- en tijdvakkenindeling van eindterm 2, de westers-christelijke jaartelling en een ander voorbeeld van een jaartelling of periodisering uitleggen dat chronologische indelingen interpretatief van aard zijn.
  • eindterm 2
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de volgende tijdvakken met bijbehorende tijdsgrenzen in chronologische volgorde noemen en als referentiekader gebruiken:

    CE CE
    • tijdvak 1: van jagers en boeren (- 3000 voor Christus) / Prehistorie;
    • tijdvak 2: tijd van Grieken en Romeinen (3000 voor Christus-500 na Christus) / Oudheid;
    • tijdvak 3: tijd van monniken en ridders (500-1000) / vroege Middeleeuwen;
    • tijdvak 4: tijd van steden en staten (1000-1500) / hoge en late Middeleeuwen;
    • tijdvak 5: tijd van ontdekkers en hervormers (1500-1600) / Renaissancetijd / 16e eeuw;
    • tijdvak 6: tijd van regenten en vorsten (1600-1700) / Gouden Eeuw / 17e eeuw;
    • tijdvak 7: tijd van pruiken en revoluties (1700-1800) / eeuw van de Verlichting/ 18e eeuw;
    • tijdvak 8: tijd van burgers en stoommachines (1800-1900) / industrialisatietijd / 19e eeuw;
    • tijdvak 9: tijd van de wereldoorlogen (1900-1950) / eerste helft 20e eeuw;
    • tijdvak 10: tijd van televisie en computer (vanaf 1950) / tweede helft 20e eeuw.
  • eindterm 3
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    CE CE
    • de tijdvakken van eindterm 2 plaatsen in de periodes Prehistorie, Oudheid, Middeleeuwen, Vroegmoderne Tijd en Moderne Tijd;
    • uitleggen dat de indeling in perioden en tijdvakken een westers perspectief op de geschiedenis vertegenwoordigt en wat de beperkingen en bezwaren daarvan kunnen zijn.
  • eindterm 4
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    CE CE
    • in historische processen de samenhang tussen veranderingen en continuïteit beschrijven;
    • de betekenis van historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen voor het heden aangeven;
    • verschillende soorten historische verandering onderscheiden;
    • door het onderscheiden van continuïteiten van langere en kortere duur onderkennen hoe elementen afkomstig uit verschillende tijdvakken zich gelijktijdig in één tijdvak kunnen manifesteren (de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige).
  • eindterm 5
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    CE CE
    • een vraag formuleren;
    • voor een vraag bruikbaar bronnenmateriaal verwerven en gegevens eruit selecteren.
  • eindterm 6
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    CE CE
    • in het kader van een historische vraagstelling verklaringen geven voor historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen;
    • onderscheid maken tussen verschillende soorten oorzaken en gevolgen.
  • eindterm 7
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bij het geven van oordelen over het verleden rekening houden met:

    CE CE
    • het onderscheid tussen feiten en meningen;
    • tijd- en plaatsgebondenheid van interpretaties en oordelen afkomstig van personen uit het verleden en afkomstig van hedendaagse personen, onder wie hij zelf;
    • de rol van waardepatronen in heden en verleden;
    • het ondersteunen van uitspraken met behulp van argumenten.
B

  • eindterm 8
    HAVOVWO

    De kandidaat kan voor elk van de tien tijdvakken die genoemd zijn in eindterm 2:

    CE

    – de kenmerkende aspecten voor ieder tijdvak noemen;

    – bij elk kenmerkend aspect van een tijdvak een passend voorbeeld geven van een gebeurtenis, ontwikkeling, verschijnsel of handeling dan wel gedachtegang van een persoon en dit voorbeeld gebruiken om het betreffende aspect te verduidelijken;

    – uitleggen hoe kennis van het betreffende tijdvak de oriëntatie op de hedendaagse werkelijkheid beïnvloedt; 

     

    Voor tijdvak 1 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. de levenswijze van jagers-verzamelaars;
    2. het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen;
    3. het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.

     

    Voor tijdvak 2 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. de ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat;
    2. de klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur;
    3. de groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde;
    4. de confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest Europa;
    5. de ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten.

     

    Voor tijdvak 3 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. de verspreiding van het christendom in geheel Europa;
    2. het ontstaan en de verspreiding van de islam;
    3. de vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid;
    4. het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.

     

    Voor tijdvak 4 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

    1. de opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving;
    2. de opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden;
    3. het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben;
    4. de expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van de kruistochten;
    5. het begin van staatsvorming en centralisatie.

     

    Voor tijdvak 5 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. het begin van de Europese overzeese expansie; 
    2. het veranderende mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling; 
    3. de hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid; 
    4. de protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had; 
    5. het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.

     

    Voor tijdvak 6 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. het streven van vorsten naar absolute macht; 
    2. de bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek; 
    3. wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie; 
    4. de wetenschappelijke revolutie.

     

    Voor tijdvak 7 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen; 
    2. voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme); 
    3. uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme; 
    4. de democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

     

    Voor tijdvak 8 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. de industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving; 
    2. discussies over de ‘sociale kwestie’; 
    3. de moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie; 
    4. de opkomst van emancipatiebewegingen; 
    5. voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces; 
    6. de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

     

    Voor tijdvak 9 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. de rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie; 
    2. het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme; 
    3. de crisis van het wereldkapitalisme; 
    4. het voeren van twee wereldoorlogen; 
    5. racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden; 
    6. de Duitse bezetting van Nederland; 
    7. verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering; 
    8. vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme.

     

    Voor tijdvak 10 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. de verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog; 
    2. de dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld; 
    3. de eenwording van Europa; 
    4. de toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen; 
    5. de ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen
C

  • eindterm 9
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    SE

    – aan de hand twee nader omschreven concrete thema’s met gebruikmaking van de eindtermen uit domein A een beargumenteerd antwoord geven op inhoudelijke vragen over het betreffende thema;

    – op grond van situaties in de verschillende tijdvakken ontwikkelingen op langere termijn beschrijven. 

D

  • eindterm 10
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    SE

    – verband leggen tussen het ontstaan van vrijheidsrechten en politieke rechten in bepaalde historische tijdvakken en kenmerkende aspecten van die tijdvakken;

    – uitleggen onder invloed van welke factoren de rechtsstaat zich in Nederland heeft ontwikkeld en welke actoren erbij betrokken waren;

    – uitleggen onder invloed van welke factoren de parlementaire democratie zich in Nederland heeft ontwikkeld sinds 1795; 

    – de ontstaansgeschiedenis van de belangrijkste politieke stromingen en partijen weergeven sinds 1848. 

vw-1021

A

  • eindterm 1
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    CE CE
    • gebeurtenissen uit zijn eigen leven alsmede verschijnselen, gebeurtenissen en personen uit de geschiedenis met behulp van een tijdbalk of een andere vorm van chronologische schematisering ordenen en daarbij de volgende aanduidingen van tijd en tijdsindeling gebruiken: jaren, eeuwen, tijdvakken, perioden en jaartellingen;
    • met gebruik van voorbeelden uit de perioden- en tijdvakkenindeling van eindterm 2, de westers-christelijke jaartelling en een ander voorbeeld van een jaartelling of periodisering uitleggen dat chronologische indelingen interpretatief van aard zijn.
  • eindterm 2
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de volgende tijdvakken met bijbehorende tijdsgrenzen in chronologische volgorde noemen en als referentiekader gebruiken:

    CE CE
    • tijdvak 1: van jagers en boeren (- 3000 voor Christus) / Prehistorie;
    • tijdvak 2: tijd van Grieken en Romeinen (3000 voor Christus-500 na Christus) / Oudheid;
    • tijdvak 3: tijd van monniken en ridders (500-1000) / vroege Middeleeuwen;
    • tijdvak 4: tijd van steden en staten (1000-1500) / hoge en late Middeleeuwen;
    • tijdvak 5: tijd van ontdekkers en hervormers (1500-1600) / Renaissancetijd / 16e eeuw;
    • tijdvak 6: tijd van regenten en vorsten (1600-1700) / Gouden Eeuw / 17e eeuw;
    • tijdvak 7: tijd van pruiken en revoluties (1700-1800) / eeuw van de Verlichting/ 18e eeuw;
    • tijdvak 8: tijd van burgers en stoommachines (1800-1900) / industrialisatietijd / 19e eeuw;
    • tijdvak 9: tijd van de wereldoorlogen (1900-1950) / eerste helft 20e eeuw;
    • tijdvak 10: tijd van televisie en computer (vanaf 1950) / tweede helft 20e eeuw.
  • eindterm 3
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    CE CE
    • de tijdvakken van eindterm 2 plaatsen in de periodes Prehistorie, Oudheid, Middeleeuwen, Vroegmoderne Tijd en Moderne Tijd;
    • uitleggen dat de indeling in perioden en tijdvakken een westers perspectief op de geschiedenis vertegenwoordigt en wat de beperkingen en bezwaren daarvan kunnen zijn.
  • eindterm 4
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    CE CE
    • in historische processen de samenhang tussen veranderingen en continuïteit beschrijven;
    • de betekenis van historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen voor het heden aangeven;
    • verschillende soorten historische verandering onderscheiden;
    • door het onderscheiden van continuïteiten van langere en kortere duur onderkennen hoe elementen afkomstig uit verschillende tijdvakken zich gelijktijdig in één tijdvak kunnen manifesteren (de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige).
  • eindterm 5
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    CE CE
    • een vraag formuleren;
    • voor een vraag bruikbaar bronnenmateriaal verwerven en gegevens eruit selecteren.
  • eindterm 6
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    CE CE
    • in het kader van een historische vraagstelling verklaringen geven voor historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen;
    • onderscheid maken tussen verschillende soorten oorzaken en gevolgen.
  • eindterm 7
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bij het geven van oordelen over het verleden rekening houden met:

    CE CE
    • het onderscheid tussen feiten en meningen;
    • tijd- en plaatsgebondenheid van interpretaties en oordelen afkomstig van personen uit het verleden en afkomstig van hedendaagse personen, onder wie hij zelf;
    • de rol van waardepatronen in heden en verleden;
    • het ondersteunen van uitspraken met behulp van argumenten.
B

  • eindterm 8
    HAVOVWO

    De kandidaat kan voor elk van de tien tijdvakken die genoemd zijn in eindterm 2:

    CE

    – de kenmerkende aspecten voor ieder tijdvak noemen;

    – bij elk kenmerkend aspect van een tijdvak een passend voorbeeld geven van een gebeurtenis, ontwikkeling, verschijnsel of handeling dan wel gedachtegang van een persoon en dit voorbeeld gebruiken om het betreffende aspect te verduidelijken;

    – uitleggen hoe kennis van het betreffende tijdvak de oriëntatie op de hedendaagse werkelijkheid beïnvloedt; 

    – uitleggen dat de betekenis die aan tijdvakken wordt toegekend mede afhangt van de tijd, plaats en omstandigheden waarin mensen zich met het verleden bezighouden.

     

    Voor tijdvak 1 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. de levenswijze van jagers-verzamelaars;
    2. het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen;
    3. het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.

     

    Voor tijdvak 2 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. de ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat;
    2. de klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur;
    3. de groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde;
    4. de confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest Europa;
    5. de ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten.

     

    Voor tijdvak 3 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. de verspreiding van het christendom in geheel Europa;
    2. het ontstaan en de verspreiding van de islam;
    3. de vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid;
    4. het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.

     

    Voor tijdvak 4 gelden de volgende kenmerkende aspecten:

    1. de opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving;
    2. de opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden;
    3. het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben;
    4. de expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van de kruistochten;
    5. het begin van staatsvorming en centralisatie.

     

    Voor tijdvak 5 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. het begin van de Europese overzeese expansie; 
    2. het veranderende mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling; 
    3. de hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid; 
    4. de protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had; 
    5. het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.

     

    Voor tijdvak 6 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. het streven van vorsten naar absolute macht; 
    2. de bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek; 
    3. wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie; 
    4. de wetenschappelijke revolutie.

     

    Voor tijdvak 7 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen; 
    2. voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme); 
    3. uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme; 
    4. de democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

     

    Voor tijdvak 8 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. de industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving; 
    2. discussies over de ‘sociale kwestie’; 
    3. de moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie; 
    4. de opkomst van emancipatiebewegingen; 
    5. voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces; 
    6. de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

     

    Voor tijdvak 9 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. de rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie; 
    2. het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme; 
    3. de crisis van het wereldkapitalisme; 
    4. het voeren van twee wereldoorlogen; 
    5. racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden; 
    6. de Duitse bezetting van Nederland; 
    7. verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering; 
    8. vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme.

     

    Voor tijdvak 10 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 

    1. de verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog; 
    2. de dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld; 
    3. de eenwording van Europa; 
    4. de toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen; 
    5. de ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen
C

  • eindterm 9
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    SE

    – aan de hand van vijf (voor het profiel cultuur en maatschappij) / vier (voor het profiel economie en maatschappij) nader omschreven concrete thema’s met gebruikmaking van de eindtermen uit domein A een beargumenteerd antwoord geven op inhoudelijke vragen over het betreffende thema;

    – op grond van situaties in de verschillende tijdvakken ontwikkelingen op langere termijn beschrijven. 

D

  • eindterm 10
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    SE

    – verband leggen tussen het ontstaan van vrijheidsrechten en politieke rechten in bepaalde historische tijdvakken en kenmerkende aspecten van die tijdvakken;

    – belangrijke denkers noemen en hun opvattingen over de relatie tussen staat en onderdanen;

    – uitleggen onder invloed van welke factoren de rechtsstaat zich in Nederland heeft ontwikkeld en welke actoren erbij betrokken waren;

    – uitleggen onder invloed van welke factoren de parlementaire democratie zich in Nederland heeft ontwikkeld sinds 1795; 

    – de ontstaansgeschiedenis van de belangrijkste politieke stromingen en partijen weergeven sinds 1848. 

Examenprogramma

Economie (vmbo) >

bb-0233
kb-0233
gl-0233

EC/K/1

  • eindterm 1
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van economie in de maatschappij.

    SE SE SE
EC/K/2

  • eindterm 2
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.

    SE SE SE
EC/K/3

  • eindterm 3
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen en het vermogen met economische vaktaal te communiceren en onderzoek te doen.

    CE CE CE
EC/K/4A

  • eindterm 4
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat heeft inzicht in aspecten van het consumentengedrag, zoals keuzes, behoeften, inkomen en in de functies van het geld, lenen en sparen en kan dit inzicht toepassen in een gegeven casus.

    CE CE CE
EC/K/4B

  • eindterm 5
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat heeft inzicht in het bankwezen, zoals verkrijgen van vreemd geld, spaarvormen en leningsvormen, en in motieven en kenmerken van verzekeringen en kan hierbij informatie van consumentenorganisaties gebruiken.

    SE SE SE
EC/K/5A

  • eindterm 6
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat heeft inzicht in aspecten van het producentengedrag zoals kosten, opbrengsten, winst, toegevoegde waarde, arbeid, arbeidsverdeling, arbeidsproductiviteit, werkgelegenheid, werkloosheid en kan dit inzicht toepassen in een gegeven casus.

    CE CE CE
EC/K/5B

  • eindterm 7
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat heeft inzicht in de productie van goederen en diensten en in de fasen die een product doorloopt vanaf de producent van grondstoffen tot en met de detaillist/ winkelier, en kan voorbeelden geven van beroepen/ werkzaamheden die typerend zijn voor verschillende economische sectoren.

    SE SE SE
EC/K/6

  • eindterm 8
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat heeft inzicht in de sociale, economische en financiële functies van de overheid en kan dit inzicht toepassen in een gegeven casus.

    SE SE CE
EC/K/7

  • eindterm 9
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat heeft inzicht in internationale economische betrekkingen zoals Nederland als open economie, de Europese Unie, ontwikkelingsproblematiek en kan dit inzicht toepassen in een gegeven casus.

    CE CE CE
EC/K/8

  • eindterm 10
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat heeft inzicht in de samenhang tussen consumptie, productie en het milieu, en kan aan de hand van voorbeelden op het gebied van milieuschade de rol van overheid, maatschappelijke organisaties en individuele personen beschrijven.

    SE SE SE
EC/V/1

  • eindterm 11
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat heeft inzicht in de achtergronden van de problematiek betreffende:

    CE

    − de ontwikkeling van het begrotingstekort en de staatsschuld

    − de systematiek en uitgangspunten van loon- en inkomstenbelasting

    − de oorzaken en gevolgen van de waardeverandering van geld

    − de prijscompensatie als middel om koopkrachtverlies tegen te gaan en kan dit inzicht toepassen in een gegeven casus.

EC/V/2

  • eindterm 12
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.

    SE
EC/V/3

  • eindterm 13
    VMBO-BBVMBO-KBGL/TL

    De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.

    CE
Examenprogramma

Economie (havo/vwo) >

ha-1022
vw-1022

A

  • eindterm
    HAVOVWO

    De kandidaat kan economische concepten herkennen en toepassen in uiteenlopende contexten.

    CE CE
B

  • eindterm
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten analyseren dat beperkte middelen en ongelimiteerde behoeften dwingen tot het maken van keuzes.

    SE SE
C

  • eindterm
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten analyseren dat het ruilproces de basis vormt voor een optimale inzet van middelen en een optimale benutting van comparatieve voordelen. Voorts kan de kandidaat analyseren dat ruil arbeidsdeling mogelijk maakt en op welke manier geld het ruilproces soepeler laat verlopen.

    SE SE
D

  • eindterm
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten analyseren dat keuzes en ruil die plaatsvinden worden gecoördineerd via de markt. Prijsvorming is het coördinatiemechanisme waarmee vraag en aanbod op elkaar worden afgestemd. De manier waarop prijsvorming plaatsvindt is afhankelijk van de marktstructuur (marktvormen) en heeft gevolgen voor toetreding, welvaart en economische politiek.

    CE CE
E

  • eindterm
    HAVOVWO

    De kandidaat kan, binnen de contexten van gezinshuishoudingen, bedrijfshuishoudingen en overheidshuishoudingen, analyseren dat ruil niet alleen op één moment in de tijd plaatsvindt, maar ook over de tijd. De prijs die deze intertemporele ruil coördineert is de rente.

    CE CE
F

  • eindterm
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten analyseren dat, wanneer belangen van individuele actoren conflicteren, samenwerken en onderhandelen meer oplevert voor (markt)partijen dan vertrouwen op individuele acties. Centralisatie, waarbij (collectieve) dwang het middel is om acties tot stand te brengen, kan een alternatief coördinatiemechanisme zijn voor keuzes.

    CE CE
G

  • eindterm
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten analyseren dat gezinnen en bedrijven bij het maken van keuzes informatie verzamelen ten einde onzekerheid te verkleinen. Aangezien de informatie vaak een beperkt karakter zal hebben moeten transactiepartijen een inschatting maken van mogelijke gebeurtenissen (risico) en de mate waarin transactiepartners gebeurtenissen beïnvloeden of informatie achterhouden die relevant is voor het tot stand brengen van een transactie (asymmetrische informatie).

    CE CE
H

  • eindterm
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten analyseren wat op nationaal en op mondiaal niveau de oorzaken zijn van economische groei en van de verdeling van inkomen en welvaart. Keuzes op microniveau werken door op macroniveau in elke economie die gekenmerkt wordt door wederzijds afhankelijke markten.

    CE CE
I

  • eindterm
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten analyseren waarom er sprake is van korte termijn schommelingen in economische activiteiten en welke mogelijkheden en grenzen er zijn voor conjunctuurbeleid. Markten laten zich niet gemakkelijk reguleren mede door toedoen van rigiditeiten.

    CE CE
J

  • eindterm
    HAVOVWO

    De kandidaat kan door het deelnemen aan experimenten een conclusie trekken die getuigt van een ‘economische kijk’ op maatschappelijke verschijnselen en van strategisch inzicht. De kandidaat kan analyseren welke grenzen aan de verklaringskracht van theoretische concepten gesteld kunnen worden.

    SE SE
K

  • eindterm
    HAVOVWO

    De kandidaat kan een economisch concept in verschillende contexten vergelijkenderwijs analyseren. De kandidaat kiest ten minste twee keuzeonderwerpen om deze analyse uit te voeren.

    SE SE
ha-0400

A

A1

  • eindterm 1
    HAVOVWO

    De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, interpreteren, selecteren en verwerken.

    CE CE
A2

  • eindterm 2
    HAVOVWO

    De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied.

    CE CE
A3

  • eindterm 3
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces.

    CE CE
A4

  • eindterm 4
    HAVOVWO

    De kandidaat kan aangeven op welke wijze bedrijfseconomische en organisatorische kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.

    CE CE
A5

  • eindterm 5
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.

    CE CE
A6

  • eindterm 6
    HAVOVWO

    De kandidaat kan relevante bedrijfseconomische en organisatorische aspecten van een probleem herkennen, zowel binnen een organisatie als in het persoonlijk leven.

    CE CE
  • eindterm 7
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bij de oplossing van een bedrijfseconomisch of organisatorisch probleem een bedrijfseconomische denkwijze gebruiken.

    CE CE
  • eindterm 8
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bij veel voorkomende vraagstukken binnen een organisatie op het gebied van:

    • de interne organisatie en personeelsbeleid

    • de investeringen en financiering

    • het marketingbeleid

    • het financieel beheer

    • de verslaggeving 

    de bedrijfseconomische en organisatorische dimensie vanuit het perspectief van het management toepassen en analyseren.

    CE CE
  • eindterm 9
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bedrijfseconomische en organisatorische perspectieven en daaruit voortvloeiende belangen onderkennen van de diverse betrokkenen bij de organisatie.

    CE CE
  • eindterm 10
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    • bedrijfseconomische werkwijzen toepassen;

    • bedrijfseconomische begrippen gebruiken;

    • bedrijfseconomische grootheden gebruiken;

    • bedrijfseconomische relaties analyseren.

    CE CE
B

B1

  • eindterm 11
    HAVOVWO

    De kandidaat kan vraagstukken met persoonlijke financiële consequenties herkennen en (financieel) onderbouwde keuzes maken.

    CE
B2

  • eindterm 12
    HAVOVWO

    De kandidaat kan het proces voor en rond de oprichting van een eenmanszaak beschrijven en in de rol van ondernemer toepassen.

    CE
B3

  • eindterm 13
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van verschillende rechtsvormen beschrijven.

    CE CE
B4

  • eindterm 14
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de plaats van de organisatie in de maatschappij beschrijven.

    CE CE
C

C1

  • eindterm 15
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de interne organisatie (inclusief de taken van het management en de stijlen van leiderschap) van een organisatie beschrijven en deze relateren aan de doelstelling en aard van de organisatie

    SE SE
C2

  • eindterm 16
    HAVOVWO

    De kandidaat kan personeelsbeleid/HRM beschrijven en daarbij de relatie leggen met de doelstelling en de aard van de organisatie.

    CE CE
D

D1

  • eindterm 17
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bij een investeringsvraagstuk beschrijven welke gegevens relevant zijn, vaststellen of een investering economisch zinvol is en hierbij verschillende investeringsselectiemethoden toepassen en analyseren.

    SE SE
D2

  • eindterm 18
    HAVOVWO

    De kandidaat kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt beschrijven.

    CE CE
  • eindterm 19
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen onderscheiden.

    CE CE
  • eindterm 20
    HAVOVWO

    De kandidaat kan onderkennen welke risico’s financiering met vreemd vermogen met zich meebrengt.

    CE
E

E1

  • eindterm 21
    HAVOVWO

    De kandidaat kan marketing beschrijven met het oog op de te onderscheiden doelgroepen.

    SE
E2

  • eindterm 22
    HAVOVWO

    De kandidaat kan het marketingbeleid van een organisatie beschrijven.

    CE
F

F1

  • eindterm 23
    HAVOVWO

    De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en verwerken tot financiële overzichten.

    CE CE
  • eindterm 24
    HAVOVWO

    De kandidaat kan financiële en niet-financiële informatie onderscheiden en het belang van beide uitleggen voor het besturen van de organisatie.

    CE CE
F2

  • eindterm 25
    HAVOVWO

    De kandidaat kan voor een dienstverlenende onderneming de verschillende kostensoorten onderscheiden, de winst bepalen en verschillen verklaren.

    CE
G

  • eindterm 26
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de jaarrekening van een eenvoudige organisatie (zoals een MKB-bedrijf) interpreteren en uitleggen.

    CE
vw-0400

A

A1

  • eindterm 1
    HAVOVWO

    De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, interpreteren, selecteren en verwerken.

    CE CE
A2

  • eindterm 2
    HAVOVWO

    De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied.

    CE CE
A3

  • eindterm 3
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces.

    CE CE
A4

  • eindterm 4
    HAVOVWO

    De kandidaat kan aangeven op welke wijze bedrijfseconomische en organisatorische kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.

    CE CE
A5

  • eindterm 5
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in contexten onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.

    CE CE
A6

  • eindterm 6
    HAVOVWO

    De kandidaat kan relevante bedrijfseconomische en organisatorische aspecten van een probleem herkennen, zowel binnen een organisatie als in het persoonlijk leven.

    CE CE
  • eindterm 7
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bij de oplossing van een bedrijfseconomisch of organisatorisch probleem een bedrijfseconomische denkwijze gebruiken.

    CE CE
  • eindterm 8
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bij veel voorkomende vraagstukken binnen een organisatie op het gebied van:

    • de interne organisatie en personeelsbeleid

    • de investeringen en financiering

    • het marketingbeleid

    • het financieel beheer

    • de verslaggeving 

    de bedrijfseconomische en organisatorische dimensie vanuit het perspectief van het management toepassen en analyseren.

    CE CE
  • eindterm 9
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bedrijfseconomische en organisatorische perspectieven en daaruit voortvloeiende belangen onderkennen van de diverse betrokkenen bij de organisatie.

    CE CE
  • eindterm 10
    HAVOVWO

    De kandidaat kan:

    • bedrijfseconomische werkwijzen toepassen;

    • bedrijfseconomische begrippen gebruiken;

    • bedrijfseconomische grootheden gebruiken;

    • bedrijfseconomische relaties analyseren.

    CE CE
B

B1

  • eindterm 11
    HAVOVWO

    De kandidaat kan vraagstukken met persoonlijke financiële consequenties herkennen en analyseren en (financieel) onderbouwde keuzes maken.

    CE
B2

  • eindterm 12
    HAVOVWO

    De kandidaat kan het proces voor en rond de oprichting van een eenmanszaak beschrijven, in de rol van ondernemer toepassen en analyseren.

    CE
B3

  • eindterm 13
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van verschillende rechtsvormen beschrijven.

    CE CE
B4

  • eindterm 14
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de plaats van de organisatie in de maatschappij beschrijven.

    CE CE
C

C1

  • eindterm 15
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de interne organisatie (inclusief de taken van het management en de stijlen van leiderschap) van een organisatie beschrijven en deze relateren aan de doelstelling en aard van de organisatie

    SE SE
  • eindterm 16
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de interne organisatie beschrijven en verklaren aan de hand van de belangrijkste historische en hedendaagse organisatietheorieën.

    SE
C2

  • eindterm 17
    HAVOVWO

    De kandidaat kan personeelsbeleid/HRM beschrijven en daarbij de relatie leggen met de doelstelling en de aard van de organisatie.

    CE CE
D

D1

  • eindterm 18
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bij een investeringsvraagstuk beschrijven welke gegevens relevant zijn, vaststellen of een investering economisch zinvol is en hierbij verschillende investeringsselectiemethoden toepassen en analyseren.

    SE SE
  • eindterm 19
    HAVOVWO

    De kandidaat kan bij een investeringsvraagstuk de relatie leggen tussen risico en geëist rendement.

    SE
D2

  • eindterm 20
    HAVOVWO

    De kandidaat kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt beschrijven.

    CE CE
  • eindterm 21
    HAVOVWO

    De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen onderscheiden.

    CE CE
  • eindterm 22
    HAVOVWO

    De kandidaat kan aangeven welke invloed de wijze van financieren heeft op het risico en geëist rendement van het eigen en vreemd vermogen.

    CE
E

E1

  • eindterm 23
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de relatie tussen marketing en de klantwaardepropositie van de organisatie beschrijven en analyseren.

    SE
  • eindterm 24
    HAVOVWO

    De kandidaat kan marketing beschrijven en analyseren met het oog op de te onderscheiden doelgroepen.

    SE
E2

  • eindterm 25
    HAVOVWO

    De kandidaat kan het marketingbeleid van een organisatie beschrijven, analyseren en alternatieven op hoofdpunten afwegen.

    CE
E3

  • eindterm 26
    HAVOVWO

    De kandidaat kan marketing en marketinguitingen vanuit het perspectief van de consument herkennen, beschrijven en analyseren op psychologische effecten. Hij kan deze effecten op ethische aspecten evalueren.

    SE
  • eindterm 27
    HAVOVWO

    De kandidaat kan herkennen, beschrijven en analyseren welke rol marketing speelt in de samenleving.

    SE
F

F1

  • eindterm 28
    HAVOVWO

    De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en verwerken tot financiële overzichten.

    CE CE
  • eindterm 29
    HAVOVWO

    De kandidaat kan financiële en niet-financiële informatie onderscheiden en het belang van beide uitleggen voor het besturen van de organisatie.

    CE CE
F2

  • eindterm 30
    HAVOVWO

    De kandidaat kan met behulp van diverse methoden de kostprijs berekenen en de verkoopprijs vaststellen.

    CE
  • eindterm 31
    HAVOVWO

    De kandidaat kan voor een niet-industriële organisatie de voorcalculatorische en de nacalculatorische resultatenrekening opstellen, verschillen verklaren en passende beheermaatregelen afleiden.

    CE
G

  • eindterm 32
    HAVOVWO

    De kandidaat kan de jaarrekening van een organisatie (zoals een MKB-bedrijf) analyseren en evalueren.

    CE
Examenprogramma